Het woord mijn is van oorsprong afkomstig van het Latijnse woord “mina” en verbonden aan het graven in de aarde naar mineralen.
Het woord is door militairen geleend, die de taak hadden om explosieven in te graven: de landmijn.
Moderne landmijnen zijn bommen die ontploffen wanneer er op getrapt wordt. De ontwikkeling is al in de oudheid begonnen met spijkers en voetangels. (ook wel kraaienpoten genoemd)
Het gebruik gaat zo’n 2500 jaar terug toen legers hun gebied daarmee beveiligden.
De voetangel (zie afbeelding) is nog steeds in gebruik. Door zijn vormgeving staat altijd een punt omhoog waardoor het een simpel maar zeer effectief verdedigingswapen is
Toen in de 14e eeuw het gebruik van buskruit opkwam, kwam men in Sicilië op het idee om een ondergronds kanon te maken. Een lading buskruit strooide een grote hoeveelheid stenen over een gebied (zie afbeelding rechts). Het had de kracht om een aanval te stoppen maar had ook vele beperkingen. Buskruit kan niet tegen water en bij regen liep de kuil vol en was de bom onbruikbaar. Bovendien moest het buskruit met een lont ontstoken worden en ook die weigerde bij regen.
De oudste beschrijving van een druk landmijn is afkomstig van een Duitse militaire geschiedschrijver H. Frieherr von Flemming (1726). In zijn boek beschrijft hij hoe zo’n “fladdermine” er uit zag.
Het bestond uit een pot, gevuld met glasscherven en stukken metaal samengepakt in klei met 1 kg buskruit en ondiep begraven op de helling van een fort. De mijn ontplofte wanneer iemand er op trapte of een draad aanraakte.
Het verhaal vertelt niet hoe de ontsteking tot stand kwam maar mogelijk werd er een vuursteen met veer gebruikt.
Hoewel dit de eerste melding was van een druk landmijn, duurde het tot de tweede helft van de 19e eeuw voordat deze mijnen een algemeen gebruikt oorlogstuig werden.
De ontwikkeling van het elektrische ontstekingsysteem gebeurde in de tweede helft van de 19e eeuw en verbeterde het gebruik ervan. De Russen pionierden ermee in de oorlog van 1828-1829, maar de technische details waren geheim en zijn niet gepubliceerd
De eerste “contact” mijnen waren de zeemijnen en werden gebruikt in 1861 tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog.
Daarna werden landmijnen gebruikt in de slag van Wiliamsburg in 1862 om de voorhoede van de Union te verrassen.
Die mijnen waren opgebouwd uit een stalen container gevuld met schroot. De lading zat in een stalenkist met een gietijzeren bodem en deksel en plaatstalen zijkanten. De boden en deksel werden met stevige bouten bij elkaar gehouden zodat bij de explosie alleen de zijkanten weg vlogen en het schroot in horizontale richting wegvloog.
Zelfs in die tijd riep het gebruik van dit soort mijnen al afkeer op zoals:” onwaardig en een onfatsoenlijke manier om oorlog te voeren”. Maar aan het einde van de oorlog hadden deze mijnen al 29 schepen doen zinken en 14 andere zwaar beschadigd.
De mogelijkheid om met een goedkoop wapen een duur oorlogsschip tot zinken te brengen was een onweerlegbaar argument voor het gebruik.
Amerika is de natie die als eerste de landmijn ging ontwikkelen als een tactisch wapen. Dat is te danken aan brigade generaal Gabriel J. Rains. Hij experimenteerde met booby-traps tijdens een veldtocht tegen de Indianen in Florida (1840). Overigens zonder veel succes. Dan, in 1842, beval hij zijn artillerie granaten te maken die explodeerden wanneer aan een draad getrokken werd of er op getrapt werd.
Op 4 mei 1862 viel het eerste slachtoffer, een ruiter op de weg naar Yorktown. Het was de eerste mens die gedood werd door een moderne landmijn.
Tijdens de winter van 1862-63 werkte Rains aan een model dat kon exploderen bij de lichtste aanraking. Het kostte hem zijn wijsvinger en duim van zijn rechte hand. Het lukte hem een mijn te maken die bij een kracht van 3 kg ontplofte. Na 1863 werden zijn mijnen algemeen en met succes gebruikt. De Amerikaanse Burgeroorlog toont de lange levensduur van mijnen in de grond aan! In 1960 werden 5 landmijnen van het type Rains ontdekt waarvan de lading nog steeds explosief was.
Het Britse leger gebruikte vanaf 1880 landmijnen tijdens de Afrikaanse veldtochten. De mijnen werden in het veld geproduceerd. In 1884 rapporteerde Generaal Gordon tijdens een veldtocht in de Soedan: “ dat de landmijnen toekomst hadden als verdedigingswapen. Wij hebben ze toegepast en zij veroorzaakten veel slachtoffers”
In de 20e eeuw had de landmijn zijn weg gevonden naar de meeste reguliere legers. Alle typen landmijnen werden gebruikt in de Russische – Japanse oorlog van 1902-06 waaronder mijnen die op afstand tot ontploffing gebracht werden. Door de toepassing van elektrische ontsteking werd het mogelijk om het ontstekingsmechanisme te scheiden van de explosieve lading.
Mijnen werden op grote schaal toegepast in 1918, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.
Om de grote Amerikaanse tank tegen te houden hadden de Duitsers een nieuw wapen nodig. In het begin groeven zij artillerie granaten in en brachten die elektrisch tot ontploffing maar dat kostte veel tijd en de werking was niet betrouwbaar. In het begin van 1918 ontwikkelden zij een mijn die effectief gebruikt werd tegen tanks.
Die antitank mijn bestond uit een houten kist van 45 x 35 cm en 20 cm hoog. Hij bevatte ruim 6 kg schietkatoen. Het ontstekingsmechanisme bestond uit een scharnierende deksel die verbonden was met de ontsteker. Een kracht van 45 kg was nodig maar dat betekende dat het gewicht van een persoon de mijn ook deed afgaan
In de Tweede Wereldoorlog werden landmijnen op grote schaal gebruikt. De afspraak om een mijnenveld aan te geven d.m.v. borden, werd niet nagekomen. En het assortiment nam toe. Het opsporen van mijnen werd moeilijk gemaakt door het gebruik van kunststoffen en hout, waardoor een metaaldetector zijn nut verloor.
De effectiviteit van het wapen nam toe. Men schat dat 20% van de verliezen aan tanks veroorzaakt zijn door mijnen. Echter het verlies aan soldaten door mijnen wordt geschat op slechts 2,5%
De meeste slachtoffers zijn echter burgers die, nadat de oorlog beëindigd is, terugkeren naar hun woongebied en daar een groot risico lopen om slachtoffer te worden.